ik stap uit mijn kamerjas

de ochtend binnen

in de straat schuifelt verkeer

het asfalt glanst

 

een sinaasappel wordt

voor mijn voeten overreden

en ik besef dat ook

fruit slechte dagen kent

 

ruitenwissers zwiepen

als haastige metronomen

regen tegen fietsers

 

Ik wou dat ogen ook ruitenwissers hadden

dat de tijd zich keerde,

en zie

 

sap stroomt weer de sinaasappel in

het fruit rolt zich in een boodschappentas

en draagt zich naar de winkel

 

de kamerjas omhelst mijn lijf

ik ga achterwaarts de trap op

lakens kruipen naar mijn borst

 

scheuren dichten zich

lijm wordt opnieuw sterk,

houdt ons bij elkaar

 

 

ratelpopulieren zingen als brekende golven

ruisen voorbij als suizend verkeer

de straat sneeuwt dicht

onder een kleed van pollen

 

een kathedraal van bos welft zich over de weg

bomen omhelzen elkaar

vormen een erehaag over de lege vacht

van een kat op het asfalt

 

het wegdek plooit zijn mondhoeken de gracht in

 

 

 

 

Mijn lijf is een te wijd gebreide trui,
door de gaten vliegt alles
zonder kloppen of gêne binnen.
Elke regendruppel wordt een bui.
 
Mijn hielen stampen zich in de aarde.
Ik zink traag de wereld uit.
Er is altijd nog een bodem
onder wat ik dacht dat de bodem was.
 
Ik herleid pijn
tot een snifje in een zakdoek.
Sommige mensen deugen enkel als compost.
Ik weet dat.
 
 

 

 

 

 

gehoor was bezoek

dat haar langzaam heeft verlaten

 

haar ogen zijn bestofte ramen

die niet meer kunnen gelapt

 

waas werd een veel te goede vriend

van haar grijze hoofd

 

ze magert uit haar kleren

de plooien van haar vel

versneeuwen in het laken

 

ik schenk alle planten aandacht

voeding water