ik stap uit mijn kamerjas

de ochtend binnen

in de straat schuifelt verkeer

het asfalt glanst

 

een sinaasappel wordt

voor mijn voeten overreden

en ik besef dat ook

fruit slechte dagen kent

 

ruitenwissers zwiepen

als haastige metronomen

regen tegen fietsers

 

Ik wou dat ogen ook ruitenwissers hadden

dat de tijd zich keerde,

en zie

 

sap stroomt weer de sinaasappel in

het fruit rolt zich in een boodschappentas

en draagt zich naar de winkel

 

de kamerjas omhelst mijn lijf

ik ga achterwaarts de trap op

lakens kruipen naar mijn borst

 

scheuren dichten zich

lijm wordt opnieuw sterk,

houdt ons bij elkaar