Mijn lijf is een te wijd gebreide trui,
door de gaten vliegt alles
zonder kloppen of gêne binnen.
Elke regendruppel wordt een bui.
 
Mijn hielen stampen zich in de aarde.
Ik zink traag de wereld uit.
Er is altijd nog een bodem
onder wat ik dacht dat de bodem was.
 
Ik herleid pijn
tot een snifje in een zakdoek.
Sommige mensen deugen enkel als compost.
Ik weet dat.